De kan staat op een hoge voetplint. Deze voetplint, met versieringslijnen, loopt vanaf het punt waar de vlakke bodem (met cirkeltje in het midden) is aangezet van onderen uit in een geprofileerde voetring van circa een halve cm. hoog. De bodem is dus geen standvlak. In het balustervormige kanlichaam zijn enkele profiellijnen aangebracht en in gravure een versiering: een engel op wereldbol, door bladranken omgeven. Mond van de kan en de rand van de deksel zijn geprofileerd. Vlak onder de rand een pegel: inhoud 1.6 liter. Op het deksel een plaket met krab en rondschrift: HENDRIK KRABBE en IN HET IAER 1730 BEN IK ONDER HET SCHIPPERSGOLDE GEKOMEN. De duimrust is haakvormig, het scharnier tweekakig. Op de hals staat AENMERKT HOE 'T AVONTUUR DE HUIK HANGT NA DE WIND/EN NIET MET ALLEN VRAEGT NAER VYANDEN NOG VRIND. Op de buik:psalm 19 MYN TOEVLUGT IS ALLEN DE HERE DER HEYRSCHAREN/GEEN QUAED NOG ONGEVAL KAN MY NU WEDERVAREN. Het is een kan van het schippersgilde. Op de grootste diameter van de buik een gietnaad. Op de plaats waar het oor is aangezet een ruw plekje: sporen van de natte doek- techniek. Vergelijk qua vorm inv.nr. 2300 en kan inv.nr. 2650. Dubbe schrijft het merk dat op de kan staat toe aan Wijnand Broekman, tinnegieter te Deventer. Hij overleed in 1728, twee jaar voor 1730, het jaartal dat twee maal op de kan voorkomt.