Een zeszijdige kraantjeskan met afgeplatte bodem. Op de kan rust een zeszijdig gewelfd deksel met geprofileerde gedeeltelijk zwartgelakte houten knop. In het deksel zit naast de knop een gaatje. De bovenrand van de kan en de rand van het deksel zijn geprofileerd. Het zwart gelakte houten handvat dat sterk gebogen is past in tinnen aanzetstukjes en is met pinnetjes hieraan vastgenageld. De drie gebogen pootjes rusten op houten voetjes. De kraan is van messing. De geschilderde versiering bestaat uit een stilleven op de kan en bloemmotieven op het deksel in verschillende kleuren, op een zwarte achtergrond. Op diverse plaatsen is verguldsel aangebracht. Aan de binnenzijde van de kan en in het deksel zijn verticale gietnaden zichtbaar. Boven in het deksel is daar waar de knop is aangezet een ruw plekje zichtbaar. Het zijn sporen van het weefsel van de natte doek die bij het aangieten van de knop tegen de binnenkant van het deksel werd gedrukt. In de rand van het deksel is het getal 26 gekrast.