Het schilderij geeft het interieur van de Bergkerk weer, zoals dat er omstreeks 1730 uitzag. De uit het eind van de 16e eeuw daterende preekstoel, met de in 1632 door Adriaan Thonissen gemaakte lezenaar (cat.nr. 50), is duidelijk te zien evenals de aan de preekstoel bevestigde geelkoperen wandarm met twee kaarsen, die de dominee het nodige licht moest verschaffen. Rondom de preekstoel staat een doophek, met op het hek de door de Amsterdamse geelgieter Elias Eliassen in 1657 gegoten lezenaar (cat.nr.51) en een koperen standaard waarop de te zingen psalmen werden aangegeven. De kronen die in het schip van de kerk hangen, zijn andere dan de tegenwoordige exemplaren. In 1625 besloten de kerkmeesters van de Bergkerk vijf nieuwe kronen te laten maken 'tot ciraet onser kerken'. Zij gaven de opdracht aan de te Deventer werkzame tinne- en geelgieter Jacob van Zwinderen, die in december 1626 drie en in januari 1628 de resterende twee leverde. Aan de pijlers zijn koperen wandarmen (cat.nr.52) bevestigd. In het koor waren toen nog gebrandschildere ramen. Verder ziet men zwarte rouw- of tekstborden. Linksboven is nog een deel van de orgelkast te zien, beschilderd met vazen en bloemen. Het orgel was niet op dezelfde plaats aangebracht waar het zich thans bevindt. Er waren in de Bergkerk oorspronkelijk twee orgels, een groot en een klein. Het grote orgel stond 'in de trans' bij het 'sidelackens- en kruitkremersglasevenster'. Het kleine orgel bevond zich in de trans aan de oostzijde bij de 'griffkamer' (de gerfkamer). Dit laatste orgel werd in 1721 overgebracht naar de Broederenkerk. Voor het orgelfront van het grote orgel waren deuren. In de rekeningen van de Bergkerk voor de jaren 1708-1711 wordt Abraham Duikink een som betaald voor 'doek van d'orgeldeuren'. De afgebeelde personen op de voorgrond dragen kledij, die erop wijst dat het schilderij tussen 1710 en 1730 moet zijn geschilderd.